Steeds meer activiteiten vinden plaats in en rondom regionaal oppervlaktewater: zonnepanelen op water, steigers, baggerwerk, lozingen, cityswims of grote gebiedsontwikkelingen. Al die activiteiten kunnen invloed hebben op de waterkwaliteit, terwijl Nederland nog een opgave heeft om de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te halen. Om vergunningverleners en initiatiefnemers houvast te geven, heeft STOWA het Toetsingskader Waterkwaliteit voor Regionale Wateren ontwikkeld. In deze gids leggen we uit wat dit toetsingskader inhoudt, hoe de toetsing is opgebouwd en wanneer u er in de praktijk mee te maken krijgt.
Het Toetsingskader Waterkwaliteit voor Regionale Wateren is een instrument waarmee op een eenduidige en onderbouwde manier kan worden vastgesteld of een meldings- of vergunningplichtige activiteit de waterkwaliteit schaadt, in lijn met de KRW. Het kader is gepubliceerd door STOWA als rapport 2025-24 en is tot stand gekomen in samenwerking met een brede groep waterbeheerders, de Unie van Waterschappen, Rijkswaterstaat en het IPO. Voor rijkswateren bestond al langer een vergelijkbaar instrument in de vorm van een beleidsregel; voor regionale wateren ontbrak zo'n kader tot nu toe.
Het toetsingskader bestaat uit drie onderdelen: een hoofdrapport met het eigenlijke toetsingskader inclusief processchema's en toelichting, een handleiding bij het bijbehorende kennisdocument en een kennisdocument in de vorm van een excel-tool. Die tool helpt bij het inschatten van de effecten van een tiental veelvoorkomende activiteiten op de ecologische waterkwaliteit en geeft per activiteit ook mogelijke vereffenende maatregelen. Het kennisdocument is opgezet als groeidocument, waar in de loop van de tijd nieuwe effectbeschrijvingen aan worden toegevoegd.
Het kader is zelfstandig te gebruiken voor de beoordeling van effecten op KRW-doelen, en richt zich op meerdere doelgroepen tegelijk: vergunningverleners bij waterschappen, provincies en gemeenten, initiatiefnemers van projecten en de adviesbureaus die hen begeleiden bij meldingen en vergunningaanvragen.
De Europese Kaderrichtlijn Water verplicht lidstaten tot een goede chemische en ecologische toestand van het oppervlaktewater. Die goede toestand had oorspronkelijk al in 2015 bereikt moeten zijn, maar door twee keer zes jaar uitstel ligt de deadline nu op eind 2027. Daarna is uitstel alleen nog mogelijk op grond van uitzonderlijke, natuurlijke omstandigheden. Tegelijk neemt het aantal activiteiten in en rond het oppervlaktewater toe, onder meer door bevolkingsgroei, klimaatverandering en de energietransitie. Dat zet extra druk op een watersysteem dat al een inhaalslag moet maken.
In de praktijk bleek het voor vergunningverleners vaak lastig om te beoordelen of, en hoe, een activiteit de waterkwaliteit schaadt. Dat kwam deels door onbekendheid met de KRW-eisen en de interpretatie daarvan, en deels doordat een duidelijk toetsingskader voor regionale wateren simpelweg ontbrak. Voor initiatiefnemers was het op hun beurt vaak onduidelijk waaraan een projectplan moest voldoen voordat een vergunning kon worden verleend. Zonder een gestructureerde toetsing aan de KRW-doelen ligt achteruitgang van de waterkwaliteit op de loer, of kan een activiteit de beoogde verbetering juist in de weg staan.
Centraal in deze toetsing staan twee milieudoelstellingen uit de KRW: de verbeteringseis, die voorschrijft dat een activiteit de uitvoering of het effect van geplande of reeds genomen KRW-maatregelen niet mag belemmeren, en het achteruitgangsverbod, dat voorkomt dat de bereikte toestand van een waterlichaam weer verslechtert. Een activiteit die in strijd is met een van beide mag in beginsel niet zonder aanvullende maatregelen doorgaan.
Het toetsingskader is opgebouwd uit een serie vragen die de toetser — dat kan een initiatiefnemer, adviesbureau of vergunningverlener zijn — stap voor stap doorloopt. Afhankelijk van de antwoorden volgt een vervolgvraag of wordt de toetsing afgesloten. Het kader kent drie hoofdonderdelen.
Deel 1, Toets Algemeen, bepaalt eerst of een activiteit in rijkswater of in regionaal water plaatsvindt, en of de waterbeheerder algemene regels heeft vastgesteld waar de activiteit aan kan voldoen. Voldoet de activiteit aan die regels, of zijn er geen negatieve effecten op stoffen en biologie te verwachten, dan is de toetsing daarmee al klaar. Is dat niet het geval, dan stuurt dit deel de toetser door naar Deel 2, Deel 3, of beide.
Deel 2, Toets Stoffen, beoordeelt via de bestaande immissietoets of het vrijkomen van stoffen — bijvoorbeeld door een lozing, baggerwerk of afspoeling van verhard oppervlak — in strijd is met de maximaal toelaatbare extra belasting van het oppervlaktewater. Dit onderdeel sluit aan bij het Handboek Immissietoets van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de bijbehorende webapplicatie, en kijkt naar prioritaire stoffen, specifieke verontreinigende stoffen en de parameters stikstof-totaal, fosfor-totaal en chloride.
Deel 3, Toets Biologie en ondersteunende parameters, beoordeelt of een activiteit een negatief effect heeft op biologische kwaliteitselementen zoals waterplanten, macrofauna of vis, of op de ondersteunende parameters temperatuur, zuurstofhuishouding, doorzicht en zuurgraad. Dit deel splitst zich verder op, afhankelijk van de locatie van de activiteit ten opzichte van een KRW-waterlichaam.
Binnen Deel 3 wordt eerst vastgesteld waar de activiteit plaatsvindt: binnen de grenzen van een aangewezen KRW-waterlichaam, of in overig water zoals een stadsvijver, poldersloot of kanaal dat niet als KRW-waterlichaam is aangewezen. Ook uitstralende effecten tellen mee, bijvoorbeeld beschaduwing vanaf een oever, geluidseffecten of afstromend water dat in een ander waterlichaam terechtkomt. Er bestaat geen vaste afstand waarbinnen een effect als uitstralend geldt; dat hangt af van het type activiteit en het soort effect.
Vindt de activiteit plaats in of bij een KRW-waterlichaam, dan wordt rechtstreeks getoetst aan de verbeteringseis en het achteruitgangsverbod, per relevant biologisch of fysisch-chemisch kwaliteitselement. Daarbij speelt ook het zogeheten ecologisch relevant areaal (ERA) een rol: het deel van het waterlichaam waar een kwaliteitselement daadwerkelijk voorkomt of (tijdelijk) gebruik van maakt. Alleen activiteiten die in of uitstralend naar dit areaal plaatsvinden, kunnen tot een negatief effect op dat element leiden.
Vindt de activiteit plaats in overig water, dan wordt eerst gekeken of er negatieve effecten uitstralen tot in een verbonden KRW-waterlichaam; zo ja, dan loopt de toetsing grotendeels gelijk aan die voor een KRW-waterlichaam, maar dan indirect. Daarnaast wordt overig water getoetst aan eventueel aanvullend regionaal waterkwaliteitsbeleid, zoals doelen die een waterschap of provincie voor dat type water heeft vastgesteld.
Zodra een activiteit een negatief effect blijkt te hebben — op de verbeteringseis, het achteruitgangsverbod of regionaal beleid — vraagt het toetsingskader om mitigerende of vereffenende maatregelen. Dat kan variëren van een zorgvuldige, niet-verstorende uitvoeringswijze die effecten voorkomt of vermindert, tot inrichting of kwaliteitsverbetering van areaal elders in hetzelfde waterlichaam. Er is geen vaste volgorde verplicht, maar het verdient de voorkeur om eerst te kijken naar het voorkomen of beperken van effecten, voordat compensatie elders aan de orde komt.
Het uitgangspunt is minimaal een-op-een vereffening: wat aan areaal, kwaliteit of functie verloren gaat, moet binnen dezelfde KRW-planperiode en binnen hetzelfde waterlichaam worden teruggebracht voor hetzelfde kwaliteitselement. Bij voorkeur maken deze maatregelen al integraal deel uit van het ontwerp van de activiteit, zodat ze direct meegenomen kunnen worden in de effectbeoordeling. Een waterbeheerder kan bovendien bepalen dat maatregelen al vóór de activiteit uitgevoerd moeten zijn, bijvoorbeeld wanneer anders onherstelbare schade aan soorten of areaal dreigt.
Blijken aanvullende maatregelen niet voldoende om het negatieve effect uit te sluiten, dan is de activiteit in beginsel niet toegestaan. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan een beroep worden gedaan op de uitzonderingsbepaling van de KRW voor een hoger openbaar belang; dat vraagt om een uitgebreide, per waterlichaam en per kwaliteitselement onderbouwde motivering.
Voor initiatiefnemers biedt het toetsingskader vooraf duidelijkheid over de vragen die een vergunningverlener zal stellen en de onderbouwing die daarbij hoort. Dat maakt het mogelijk om al in de ontwerpfase van een project rekening te houden met mogelijke effecten op de waterkwaliteit, in plaats van pas tijdens de vergunningaanvraag tegen knelpunten aan te lopen. Voor vergunningverleners zorgt het kader voor een uniforme, navolgbare en beter onderbouwde beoordeling, gebaseerd op wetenschappelijke literatuur en expert judgement.
In de praktijk betekent dit dat het raadzaam is om in een vroeg stadium van een project — denk aan waterbouwkundige werken, lozingen, baggerwerk, zonnepanelen op water of grotere gebiedsontwikkelingen die aan oppervlaktewater grenzen — te bepalen of, en zo ja waar in het toetsingskader, een nadere effectbeoordeling nodig is. Zo voorkomt u vertraging in de vergunningprocedure en weet u tijdig of aanvullende maatregelen onderdeel moeten worden van het ontwerp.
Het Toetsingskader Waterkwaliteit voor Regionale Wateren vraagt om kennis van het watersysteem, de geldende KRW-doelen en de regionale context van een project. Wij ondersteunen initiatiefnemers, gemeenten en ontwikkelaars bij het doorlopen van het toetsingskader: van onderzoek en analyse van de waterkwaliteit en het watersysteem ter plaatse, via ontwerp en toetsing waarin we de activiteit aan het toetsingskader spiegelen en eventuele vereffenende maatregelen uitwerken, tot begeleiding van de uitvoering, zodat afgesproken maatregelen ook daadwerkelijk landen in het project. Bekijk ook onze gids over klimaatadaptatie in de bebouwde omgeving voor de bredere wateropgave in stedelijk gebied.
Heeft u een project of activiteit die mogelijk getoetst moet worden aan het Toetsingskader Waterkwaliteit voor Regionale Wateren? Wij denken graag vroegtijdig met u mee, zodat u tijdig weet welke stappen nodig zijn en welke maatregelen onderdeel van het ontwerp moeten worden. Neem contact met ons op via onderstaand formulier of bel direct met 020-7865694.
Wilt u partner worden? Heeft u een vraag of juist een leuk idee, neem dan contact op met ons!